Glanzende Geheimenis

Screenshot 2020-04-23 at 21.56.03.png

Uitgelicht

Uitgelicht


Paperback met flappen, 32 blz.

handgebonden
€ 15,00

ISBN 9789083018379 

Bloemlezing uit de gedichten van P.C Boutens samengesteld door Simon Mulder met een voorwoord van Dr. Marco Goud.

P. C. (Pieter Cornelis) Boutens (1870-1943) groeide op in Middelburg, in een streng-protestants gezin. Na een carrière als leraar klassieke talen op de jongenskostschool Noorthey te Voorschoten vestigde hij zich in Den Haag. Daar kon hij zich met het geven van privélessen en steun van vrienden en bewonderaars meer richten op de literatuur. Zijn werk getuigt van de filosofie van Plato: de ziel neigt boven het aardse leven uit, naar een hogere wereld. Naast dit zienerschap heerst in zijn werk ook een zwijgen: dit hogere kan slechts bij benadering in woorden uitgedrukt worden – en daarnaast moest hij tevens zijn homoseksualiteit verzwijgen. In zijn gedichten viert hij de schoonheid van  de natuur, zijn godsbesef en de verheven liefde die boven leven en dood uitstijgt.  Boutens' dichtwerk toont verwantschap met dat van Herman Gorter en J. H. Leopold, maar vindt in zijn latere bundels zijn eigen weg, in een rijke, glanzende stijl, die voor de aandachtige lezer diepe geheimen ontvouwt.

Uitgelicht

Uitgelicht

Fragment uit Groningen

1.

Groningen was het begin

van de wereld, de zuivere

springende zee kwam hier

tot bedaren, de eerste

eilanden, tot koud vuur

van de branding, het hoge

land, zeven dagen wijd;

alles spreekt de geheimtaal

van de waarheid, er is

ruimte ontstaan en toekomst,

alles hoort bij elkaar.

Voeg de vrouwen daarin,

de stammoeders van de mensen;

als een zaadgewas vruchtbaar

laat ook mannen daar zijn,

kinderen van het licht

die de liefde voortplanten

die de vrede uitvinden

langs de menselijke weg.

Dan is de stad gebouwd,

goed en wel, dan wonen

dood en leven tezamen

binnen muren van tijd.

Levende stenen zijn

met een stem begenadigd:

A-huizen, A-kerk heten zij,

torenhoog opgericht.

Grunnen

 

1.

Grunnen was begun

van wereld, zuvere

springende zee kwam hier

tou bedoaren, eerste

aailanden, tou kold vuur

van brekers, t hoge

laand, zeuven doag wied;

ales sprekt gehaaimtoal

van woarhaid, der is

roemte ontstoan en toukomst,

ales heurt bie mekoar.

Voug vraauwlu doarien,

stammoekes van mensken;

as n zoadgewas vruchtboar

loat ook manlu doar wezen,

kiender van t licht

dij laifde deurgeven

dij vree oetvienden

zo as mensken doun.

Den is stad baauwd,

goud en geef, den wonen

dood en levent mit nkander

binnen muren van tied.

Leventege stainen binnen

zegend mit n stem:

A-hoezen, A-kerk haiten zai,

torenshoog ien t èn.

 © Uitgeverij HetMoet 2019-2021