MAMMOETJES - HetMoet geschreven

Iedere maand verschijnt er online een Mammoetje van een bekende of minder bekende schrijver, vertaler dichter, illustrator, kunstenaar of denker. Mammoetjes zijn op zichzelf staande essays, gedichten, korte verhalen, gedachten en columns die in hun kleine formaat Mammoetkracht bezitten. Een manifest, verhaal of gedicht dat volgens de schrijver móet worden geschreven. Geen onderwerp is te gek, geen taboe  te stevig om te doorbreken. Wat de auteur op de bühne zet, is vrij. Mammoetjes verschijnen dan ook op zeer persoonlijke titel. Eens per maand online, en eens per twee jaar worden er een aantal geselecteerd door een bloemlezer, gebundeld en uitgegeven in boekvorm.

Wil je ook een Mammoetje publiceren? Mail dan naar fannah@uitgeverijhetmoet.nl

Annemart Pilon


In hoeverre krijgen literair vertalers, in financiële zin, erkenning voor het dienstbare werk dat zij doen? Het is als een retorische vraag waarop je tegen beter weten in een bevredigend antwoord verlangt. De laatste jaren is de zichtbaarheid van vertalers weliswaar toegenomen – zachtjes aan vermelden steeds meer uitgevers hun vertalers op het omslag – maar wat bij deze positieve ontwikkeling ver achterblijft is de financiële waardering. En het één leidt vooralsnog niet tot het ander: het heersende idee dat meer zichtbaarheid zal resulteren in een betere honorering is wat mij betreft ijdele hoop, en de logica erachter ontgaat me.

Een treffend voorbeeld van de financiële waardering van vertalers vond ik dit najaar in de Volkskrant. Margriet Oostveen schreef op 25 september over de totstandkoming van de Friese vertaling van ‘The Hill We Climb’. Daaruit bleek dat de vertaler na afloop een factuur van 500 euro indiende voor de vertaling, terwijl de gevoeligheidslezer, die er twee dagen mee bezig was geweest, om 2000 euro vroeg. De opdrachtgever vond die scheve verhouding onacceptabel – blijkbaar waren er vooraf geen afspraken over gemaakt – en na enige discussie werd besloten de vertaler en de gevoeligheidslezer dezelfde vergoeding te geven. Er werd gespeculeerd over 750 euro, nota bene 50% erbij voor de vertaler.

De gevoeligheidslezer zal minder blij zijn. Maar wat hij of zij in rekening bracht (2000 euro voor twee dagen) is voor een zelfstandige zo gek nog niet – je schoorsteen moet toch ergens van roken. Het is me niet bekend of dit een gangbaar tarief is voor een gevoeligheidslezer; ik kan me voorstellen dat er in het geval van Amanda Gorman veel meer budget is. Dat heeft de vertaler wellicht ook gedacht. Vijfhonderd euro lijkt misschien weinig, maar het is voor een gedicht van 112 regels bijna het dubbele van het huidige minimumtarief, waarmee je op een schamele 279 euro uit zou komen. Maar iedereen zal begrijpen dat je voor zo’n bedrag Amanda Gorman niet kunt vertalen.

De vertaler en de gevoeligheidslezer begeven zich ogenschijnlijk op dezelfde markt maar hanteren compleet verschillende tarieven: de gevoeligheidslezer vraagt maar liefst vier keer zo veel. Dat is misschien niet overal zo, maar laten we niet vergeten dat de vertaler in dit geval ook veel meer kreeg dan gebruikelijk is. Deze ontzettend scheve verhoudingen zijn met inhoudelijke argumenten op geen enkele manier te verdedigen. We hoeven het nut van een gevoeligheidslezer niet ter discussie te stellen om te begrijpen dat zo’n lezer niet vier keer meer waard is dan een vertaler. Voor een goede vertaling heb je nog altijd één partij het hardst nodig: de vertaler.


Annemart met de Italiaanse uitgave van Erri De Luca (Il giorno prima della felicità)

Verhalen over de zeer geringe financiële waardering van vertalers zijn overal: toen ik laatst in de krantenarchieven dook, op zoek naar artikelen over de financiële positie van vertalers, kwam ik er een hoop tegen. Niet dat dat me verbaasde, overigens. Literair vertalers verdienen nu eenmaal ongelofelijk weinig met hun vertaalwerk: gemiddeld rond of onder het minimumloon, niet in loondienst maar als zelfstandige. Een kleine groep vertalers kan met subsidies van het Letterenfonds gelukkig het hoofd boven water houden, maar er zijn ook jonge, net afgestudeerde vertalers die kopje onder gaan omdat zij vanwege een gebrek aan economisch perspectief onvoldoende kunnen investeren in hun vertaalcarrière. Zij constateren bedroefd dat er in het vertalen geen toekomst schuilt – zeker niet als je anno 2021 met een studieschuld op zoek bent naar een woning.

De onderbetaling van vertalers blijkt helaas een constante in de geschiedenis. Ik citeer even uit De Sumatra Post van 30 oktober 1926: ‘De uitgevers laten tal van vooze producten vertalen, meest tegen een hongerloon, en dus slecht!’ Gelukkig kwam daar (weliswaar pas in 1973) het zogeheten modelcontract met daarbij een minimumtarief, overeengekomen door de Vereniging van Letterkundigen (nu Auteursbond) en de Literaire Uitgevers Groep. Een grote stap vooruit, omdat hiermee onder meer auteursrechten voor vertalers worden gewaarborgd – al waren de financiële problemen voor vertalers niet verholpen.

Met zo’n contract kan een vertaler voor een literair boek een subsidie aanvragen bij het Letterenfonds. Maar dan moet je zo’n modelcontract en bijbehorend tarief ook daadwerkelijk krijgen. Vertaler-schrijver Guus Luijters vertelde in Het Parool van 28 februari 1976 dat hij door Elsevier benaderd was om voor 3,5 cent per woord een boek te vertalen, terwijl het minimumtarief toen op 5 cent lag. In 1980 kwam een groep literair vertalers dan ook in opstand; zij vonden dat zij ‘de laatste koelies van deze maatschappij’ waren (Het Parool, 3 april 1980). Dit resulteerde uiteindelijk in extra geld vanuit het toenmalige ministerie van OCW, bestemd voor vertalerswerkbeurzen van het Letterenfonds. Goed nieuws voor de literair vertalers, maar niet voor de zogenoemde ‘boekvertalers’, wier mooie boeken niet het felbegeerde stempel ‘literair’ mogen dragen. Het arbitraire verschil tussen ‘literair vertalen’ en ‘boekvertalen’ is relevant vanuit contractueel en dus financieel oogpunt. Boekvertalers worden namelijk dubbel benadeeld omdat zij én geen modelcontract krijgen én daardoor geen subsidie kunnen aanvragen. Maar zij leveren hetzelfde werk.


Op dit moment is het minimumtarief voor literaire vertalingen 6,8 cent per woord – een normtarief, geen wettelijk minimum. Als je genoeg werk hebt kun je daarmee zoiets als het minimumloon bij elkaar schrapen. Maar er worden ook vertalers gevraagd om voor 5,5 cent te werken, wat mij sterk doet denken aan die 3,5 cent tegenover 5 cent in 1976. Kijken we naar de ontwikkeling van het minimumtarief in de afgelopen twee decennia, dan zien we dat het tarief de laatste tien jaar maar half zo hard is gestegen als in de tien jaar daarvoor. Sowieso kun je eigenlijk niet spreken van een stijging: ondanks afspraken tussen literaire uitgevers en de Auteursbond zijn de huidige tarieven onvoldoende gecorrigeerd voor inflatie. Vertalers zijn er de laatste jaren dus op achteruit gegaan, alsof de situatie nog niet ernstig genoeg was. Om van de huidige inflatie maar te zwijgen.

Verzuchten dat het vroeger allemaal beter was, gaat niet. Maar juichen dat het tegenwoordig beter gaat kan evenmin. In absolute zin mag er dan het een en ander zijn veranderd – zo is het aanvullende honorarium voor vertalers die een subsidie krijgen van het Letterenfonds flink gestegen – per saldo is de beroepsgroep daar als geheel weinig mee opgeschoten. Het was en is een hongerloontje.


Annemart in Napels met Don Raimondo Di Maio, de boekhandelaar die voorkomt in De Luca’s roman

Waarom zouden vertalers recht hebben op betere tarieven? Er zijn talloze argumenten te bedenken. Vertalers zijn hoogopgeleid – veelal academisch – en hebben geïnvesteerd in hun carrière. Zij beheersen zowel de taal waaruit zij vertalen als hun moedertaal op zeer hoog niveau en zijn dankzij hun opleiding, ervaring, creativiteit en taalgevoeligheid in staat om de woorden van hun auteur te herformuleren en te transformeren tot een autonome Nederlandse tekst. In een uitgebreide recensie van de Nederlandse vertaling van ‘The Hill We Climb’, verschenen in De Standaard van 10 september jl., las ik: ‘In de literatuur is het maken van een geslaagde vertaling zo’n beetje het moeilijkste wat er is.’ Dankzij vertalers kunnen we in Nederland boeken lezen uit alle windstreken en ons in andere werelden wanen. Maar is het echt nodig om de stelling met zulke inhoudelijke argumenten te verdedigen? Het gaat mij om een veel fundamenteler principe: dat het voor vertalers kennelijk een onbereikbaar ‘ideaal’ is om van je werk te kunnen leven.

Als tegenargument wordt vaak ingebracht dat vertalers een enorme kostenpost zijn voor een uitgeverij. Dat is een argument waar ik moeite mee heb. Een vertaling is duur omdat een vertaling uitgeven duur is, onder andere vanwege de kosten van de vertaalrechten, maar niet omdat vertalers duur zijn. Vertalers zijn juist bespottelijk goedkoop als je uitrekent wat hun uurtarief is. Vertalerskosten kan een uitgever vooraf incalculeren: koop je een buitenlandse titel aan, dan weet je dat je kosten gaat maken voor de vertaling en kun je niet zeggen dat een vertaler te duur is voor het minimumtarief – het heet niet voor niets een minimum.

Gelukkig zijn er ook veel uitgevers die wel netjes een modelcontract bieden en het minimumtarief betalen. Ik ben vertaler voor HetMoet en krijg daarvoor een net contract. Niet omdat een kleine, zelfstandige uitgeverij als deze zo’n enorm budget heeft, maar gewoon uit fatsoen. Omdat HetMoet makers koestert, en iedereen die betrokken is bij de totstandkoming van een boek op waarde schat. En zij zijn niet de enigen.

Aan de andere kant van de markt zijn er ook grote, zeer winstgevende uitgeverijen die hun buitenlandse auteurs met gemak naar Nederland laten vliegen maar er blijkbaar geen geld voor (over) hebben om de vertalers, die zij hard nodig hebben om die omzet überhaupt te kunnen draaien, fatsoenlijk te belonen voor hun werk. Het belachelijk lage minimumtarief is voor hen peanuts. Maar omdat vertalers zo van hun vak houden, en misschien ook omdat ze gewend zijn aan onderbetaling, werken zij allesbehalve volgens het principe if you pay peanuts, you get monkeys. Soms denk ik: durfden wij dat maar. In plaats daarvan doen wij – ik ook – iedere keer weer ons uiterste best om een tekst in het Nederlands te schrijven die het origineel zo goed mogelijk benadert, terwijl de vergoeding die we daarvoor krijgen feitelijk een symbolisch bedrag is. Wij slikken dit uit liefde voor ons vak. En ik schrijf dit uit liefde voor mijn vak. Ik schrijf dit ook omdat ik me afvraag: hoe lang zal het nog duren voordat voor iedereen de maat vol is?


Laten we daarom een gedachte-experiment doen: we verviervoudigen het vertalerstarief. De 6,8 cent van nu wordt dan 27,2 cent per woord (ik durf het amper op te schrijven). Voor een gemiddelde roman van 70.000 woorden, waar je een paar maanden mee bezig bent, krijg je als vertaler dan een honorarium van 19.040 euro. Natuurlijk kan zelfs een grote en zeer winstgevende uitgeverij dat niet opbrengen (geloof ik), maar daar gaat het me nu niet om. Als je als vertaler continu opdrachten hebt, en tegen dat tarief ieder jaar drie van dat soort boeken vertaalt, kun je je een maandje vakantie zonder toetsenbord permitteren en heb je een omzet van 57.120 euro per jaar. Voor wie in loondienst werkt is dat een heel mooi salaris. Voor een hoogopgeleide en ervaren zelfstandige, die daar een stuk minder van overhoudt, is het een aardige beloning. Je kunt dan waarschijnlijk van het vertalen leven, wat de primaire bedoeling is van werken. Ik bedoel maar.


Verschijnt in de zomer van 2022 bij HetMoet!

Annemart Pilon (1988) is literair vertaler en docent Italiaans en Spaans en woonde een aantal jaren in Napels en Bilbao. Ze volgde de Master Literair Vertalen i. o. in Utrecht en won in 2011 een Talentbeurs van het Letterenfonds en de Master Literair Vertalen. Ze vertaalde werk van onder meer Teresa Ciabatti, Erri De Luca en Nicola Pugliese. Voor HetMoet vertaalt ze momenteel een roman van Erri De Luca: De dag voordat het geluk kwam.


Daarnaast publiceerde ze artikelen in vertaaltijdschrift Filter en dagblad NRC om de slechte inkomenspositie van vertalers onder de aandacht te brengen, en stelde ze voor het Expertisecentrum Literair Vertalen een uitgebreid dossier samen over de financiële positie van vertalers in Nederland en Vlaanderen.

129 keer bekeken

Basje Boer


They’ve got charisma,’ zegt Carrie Bradshaw tegen haar vriendinnen. Ze heeft het over Vaughn, haar verkering du jour, en over het nest waar hij uit voortkomt: joods, intellectueel, liberal. In de brownstone op Manhattan waar Vaughns ouders wonen is de tafel altijd gedekt, variëren de gespreksonderwerpen van seks tot literatuur, zijn de anekdoten over sixties bohemia net zo gepekeld als de haring van Zabar’s die er wordt geserveerd.

De aflevering ‘Shortcomings’ uit het tweede seizoen van Sex and the City heeft een thema: familie. Samantha legt het aan met de pas gescheiden broer van Charlotte. Miranda gaat uit met een alleenstaande vader. Carrie wordt verliefd, niet op Vaughn maar op zijn familie. ‘They’re like Tom Cruise,’ zegt ze. ‘They’re the Tom Cruise of families.’

Mijn liefdesverdriet was groot en ontregelend. Ik probeerde mijn handen eromheen te sluiten, maar telkens als ik dacht dat ik er grip op had, glipte het tussen mijn vingers vandaan. Ik ben iemand van de korte metten. Mijn verdriet kan de ene dag peilloos lijken en de volgende dag vergeten zijn, op een manier die zelfs mij angst aanjaagt. Maar met dit liefdesverdriet waren geen korte metten te maken. Ik wankelde, verloor mijn balans. Mijn liefdesverdriet ontwortelde me.

Het onheil kwam niet alleen. Net op het moment dat ik er klaar voor was, om de wateren te testen, ging de wereld op slot, stond alles stil. Gek genoeg sloot het aan bij wat ik voelde: dat ik bij nul begon. Liefde werd iets theoretisch, iets wat alleen in mijn gedachten bestond. Ik kon het in elkaar puzzelen, op maat maken. Wat wil ik? dacht ik. Wat voor type? Alles stond op losse schroeven. Ik zag love interests in voorbijgangers, winkelpersoneel, Twitter-volgers, barista’s. Wie zou het worden? Wie zou me kussen voordat de end credits werden ingezet? En hoe zou ik het weten, dat hij het was, als er geen aftiteling was? Wat paste? Wat klopte?


In de podcast Sentimental in the City benaderen schrijvers Caroline O’Donoghue en Dolly Alderton zes seizoenen en twee speelfilms van Sex and the City als ‘Great American Novels’. Ze delen niet alleen welke tegenspelers ze het lekkerst vinden, welke outfits het mooist, maar ze zoeken ook naar rode draden, benoemen thema’s, leggen verbanden, duiden, analyseren. Ze waren tieners toen ze Sex and the City voor het eerst zagen. De serie die in eerste instantie vooruitwees, naar hun volwassen leven, groeide met ze mee, bleek deel uit te maken van wie ze waren. De vier personages kenden ze als vrienden, en hun liefde voor de serie verbond hen ook weer met andere vrouwen, met elkaar. O’Donoghue en Alderton delen hun theorieën over seizoen twee. Volgens de een gaat het over hoe je jezelf soms in de weg staat als het om liefde gaat. Volgens de ander gaat het over het verschil tussen alleen zijn en eenzaamheid.


Ik nestelde me in mijn huis zoals iedereen. Ik richtte het in met boeken, platen, servies dat fijn in de hand ligt. Ik las poëzie, de ene bundel na de ander, alsof ik puzzels oploste. Ik luisterde naar jazz, probeerde te ontdekken waar mijn voorkeuren lagen – welke artiesten, welke perioden, welke instrumenten. Ik luisterde naar Lana Del Rey, haar complete oeuvre op repeat. Ik bestelde pyjama’s, ondergoed, een badjas bij de Bijenkorf, naar parfum geurende pakjes bij Chanel. Ik ontdekte welke koffie ik het lekkerst vond, hoe ik die het best kon zetten, en serveerde het met kleine koekjes en chocola. Ik kleedde mijn eentonige bestaan aan met alles wat mooi is, verfijnd, luxe, lekker, als een herinnering aan beschaving, aan iets wat groter was dan ik. Ik zocht verbanden. In oeuvres. Tussen jazzartiesten. Dichters leidden me naar andere dichters. Ik verlangde naar een geheel. In alles zag ik een sleutel, achter iedere deur vermoedde ik een nieuwe deur. Ik vond speelkaarten op straat: eerst een ruiten zes, daarna een ruiten negen en een ruitenheer. In de lente vond ik een ruitenvrouw.

In de allereerste aflevering van Sex and the City ontmoet Carrie Bradshaw de man die we leren kennen als ‘Mr. Big’. Mr. Big is ouder en rijker. Hij is charmant en ongrijpbaar. In de afleveringen die volgen, in de seizoenen en films die volgen, draaien Carrie en Big om elkaar heen. Hij geeft haar wat ze wil, even, een beetje, en doet dan een stap terug. Hij maakt haar ziek, is de conclusie in Sentimental in the City. Hij maakt een verslaafde van haar. Carrie, die in het begin van de serie aandoenlijk neurotisch is, wordt onredelijk, onzeker, geobsedeerd, wanhopig, paranoïde.

We haten Sex and the City vanwege de flauwe woordgrapjes en de sentimentele voice-over. We haten Sex and the City omdat de premisse onrealistisch is, de situaties kluchtig, de ideeën gedateerd op het gênante af. Als mannen de serie haten, roepen we dat ze het niet begrijpen. Als vrouwen de serie haten is dat omdat ze het maar al te goed begrijpen. We haten Sex and the City omdat achter alles wat er leuk en mooi en aantrekkelijk aan is iets schuilgaat wat we niet willen zien.

De enige man die Carrie wil, is iemand die haar niet wil – niet echt. Wat zegt dat over haar?


Ik vertelde Tina over een tweet die ik had gelezen. ‘Ja, natuurlijk heeft deze hele leuke actrice ook een hele leuke man,’ stond er in de tweet, met daaronder een foto van de Hele Leuke Actrice en haar Hele Leuke Man op een rode loper. Ze zijn niet alleen leuk, zei ik tegen Tina, ze zijn hetzélfde. Dezelfde types, die op dezelfde manier aantrekkelijk zijn. Intelligent, linksig, artsy. Ik wil ook iemand die hetzelfde is, zei ik. Iemand die past, iemand van wie je ziet dat het klopt. Ik wist al wat Tina zou zeggen toen ik haar wenkbrauwen omhoog zag gaan terwijl ik praatte. Maar Basje, zei ze, zulke mensen zijn wij niet.

Tina en ik, wij zijn uit één stuk. Daar past niets op, daar past hoogstens iets naast. Maar ze zei ‘wij’, want ik hoor in ieder geval bij haar.


In Sentimental in the City zwijmelt Dolly Alderton weg bij Vaughn en zijn gezin, ‘the Tom Cruise of families’. Bij dat herenhuis, de gepekelde haring. Ze wil er bij horen, bij die grote warme familie.


Ik ben opgegroeid zonder broers of zussen, en ik werd opgevoed door één ouder. Ik leerde mezelf te vermaken. Ik las, tekende. Ik schreef voordat ik schrijven kon – schriften vol met krabbels. Ik speelde graag met andere kinderen, altijd meisjes. We tuigden fantasieën op, verloren onszelf in ons spel. Maar altijd was er het punt van verzadiging, waarop het te veel werd en ik alleen wilde zijn. Op mijn kamer zat ik met mijn rug tegen de deur, hield ik iedereen buiten. Was ik graag alleen of was het aangeleerd? Was het noodzaak? Ben ik het alleen-zijn verleerd tijdens mijn relatie? Of was ik juist verleerd hoe ik samen moest zijn?


*

‘Maar jullie hadden zo’n mooie bruiloft.’

Charlotte en haar pas gescheiden broer zitten aan de eettafel. Ze heeft – typisch Charlotte – muffins voor hem gebakken, bij wijze van hart onder de riem. Hij vertelt haar hoe slecht zijn huwelijk was, maar zij gelooft hem niet. Waarom gooi je alles weg? vraagt ze. Voor een huwelijk heb je geduld nodig, zegt ze, en begrip.

Op Twitter klaagt iemand dat mensen te snel uit elkaar gaan. Een jonge man is het, die zich beklaagt, en onder zijn tweet krijgt hij bijval van talloze andere jonge mensen. Waarom gooi je alles weg, is de tendens, maar niemand lijkt interesse te hebben in het antwoord.

Wanneer besluit je dat alleen zijn beter is dan samen zijn? Wat is het punt waarop weggaan minder erg is dan blijven? Waarom gooi je alles weg? En wat is het dat je weggooit?


I’ve seen you,’ zegt Anna tegen Verena in Unrelated. ‘You’re surrounded by your family. You belong somewhere.’ Anna is, net als Verena, ergens in de veertig. Maar Verena heeft een gezin, en Anna is ongehuwd en kinderloos. Unrelated is het debuut van de Britse filmmaker Joanna Hogg uit 2007, een klein drama over een vakantie in Toscane. Naast Anna en Verena bestaat het gezelschap uit ouders en hun volwassen kinderen. Anna is de enige die er alleen is, die later arriveert, die nergens bij hoort. In plaats van op te trekken met haar leeftijdgenoten kiest ze voor de jongeren, met wie ze blowt, door het Toscaanse landschap scheurt, dronken wordt, danst. Als je nergens bij hoort, kun je overal bij horen. Is dat vrijheid? Of is het ontworteling? I will just be forever, now, on the periphery of things,’ zegt Anna tegen Verena.

Thuis heeft Anna een vriend, Alex. Telefoongesprekken met hem zijn door de film heen gevlochten. Steeds staat Anna heel alleen in het landschap. Steeds horen we slechts haar kant van het telefoongesprek. Ze vindt het fijn, zegt ze, om op te gaan in deze ‘big extended family’. Is ze eigenlijk met Alex getrouwd? Maakt het uit? Ze zoekt houvast – kennelijk vindt ze die niet bij hem.

Waarom gooi je alles weg, was de vraag die werd gesteld op Twitter. Waarom weegt het huwelijk niet meer zo zwaar als vroeger? Wat werd vergeten is dat het huwelijk niet alleen gevoelsmatig maar ook gerechtelijk minder zwaar weegt, sinds de wet in 1971 werd aangepast. Wat werd vergeten is dat de sociale druk om bij elkaar te blijven is afgenomen. Met het verdwijnen van de druk, het verdwijnen van het gerechtelijke gewicht, verdwijnt ook de houvast. En met het verdwijnen van houvast komt de twijfel. Waarom niet weggaan als het tegenzit? Waarom wachten tot het beter wordt?

Wat werd vergeten is dat je soms geen keuze hebt. Soms is het de ander die weggaat, terwijl jij wil blijven.


Ik had geen uitgesproken kinderwens. Ik dacht: misschien komt het ervan. Ik dacht: als de situatie er naar is, als er een man is, als er een huis is, als we vruchtbaar zijn. Nu pas realiseer ik me dat de keuzes die ik maakte wel degelijk in het teken stonden van dat misschien. Tegen mijn dertigste koos ik voor vaste relaties, met mannen in dezelfde levensfase als ik. Ik koos voor een huis met ruimte, een vast huurcontract. De voorwaarden waren er, voor het misschien. Maar het kwam er niet van. Denk aan een midlifecrisis en je denkt aan snelle auto’s en jonge vrouwen, kalende mannen en hun tweede leg, maar is de vrouwelijke variant niet interessanter? Waarom gaan we – filmmakers, schrijvers, essayisten – eigenlijk voorbij aan de enorme dramatische potentie van de overgang, of de aanloop er naartoe?


De deur ging dicht en mijn blik ging open. Waar laat ik me door leiden als er geen misschien meer is om rekening mee te houden? Er is geen druk, er is geen zwaarte. De mogelijkheden zijn eindeloos. Is dat vrijheid?


Ik werd verliefd op iemand die bijna twee keer zo jong is als ik. En het klopt, en het klopt niet. Er is geen aftiteling, geen manier om de afloop te voorspellen. Eindeloos analyseer ik ons, pieker ik. Wat hoop ik te winnen met een antwoord op het waarom?

Ik vertel een vriend over de Hele Leuke Actrice en haar Hele Leuke Man. Over de tweet, over dat het klopt, over dat ik dat ook wil, dat het klopt. Hij en zijn vriend ‘kloppen’ ook, zegt hij. Ze zijn hetzelfde type, op dezelfde manier aantrekkelijk. Maar dat is de buitenkant, zegt hij. Vanbinnen zijn ze anders, totaal verschillend. De vriend zei: je kijkt alleen naar het plaatje. Voor wie wil ik eigenlijk dat het klopt? Voor mij? Of voor de foto op de rode loper?

De bruiloft was mooi, het huwelijk was seksloos. Charlotte’s broer heeft geen muffins nodig, he needs to get laid.


Ik weet dat het klopt, ik voel dat het klopt. Er is een verband dat ik nu pas zie. Een geheel waar ik altijd blind voor was.

De man waar ik verliefd op werd gaat langs bij opa’s en oma’s. Hij bowlt met neven en nichten, heeft etentjes, gaat op visite. Ik zie mijn familie zelden, mijn laatste oma ging dood toen ik zeventien was. Maar ik bel met mijn moeder. Ik videobel met de familie van mijn vader op zijn sterfdag. Met jenever proosten we voor de webcam.

Wie kinderen krijgt, ziet hoe zijn eigen leven zich herhaalt. Ik had geen kinderwens, maar de logica ervan bevalt me. Toen ik alleen was met mijn liefdesverdriet begonnen mijn spullen zich aan me op te dringen: dozen vol met foto’s, kasten vol met dagboeken. Ik weet nog hoe ik als kind de fotoalbums van mijn ouders bekeek, foto’s van voordat ik geboren was. Ik hoorde bij die mensen, ik zou worden zoals die mensen. De herhaling stelde me gerust.

Wie kijkt er naar mijn foto’s? Wie gooit alles weg als ik dood ben – niet alleen míjn spullen, maar ook de spullen van mijn ouders? Wat betekent het dat ik de laatste ben? Hoe maak ik deel uit van het geheel?



I will just be forever, now, on the periphery of things,’ zegt Anna in Unrelated. Ik vind het mooi, hoe ze eerst forever zegt, en daarna now. Toen ik alleen was met mijn liefdesverdriet, toen alles stilstond, toen ik bij nul begon en het geheel zocht, was er alleen het altijd. Er was te véél geheel, er was alléén maar geheel. Inmiddels weet ik hoe ik moet inzoomen, hoe ik moet denken aan nu. Op straat zoek ik naar speelkaarten. De ruitenvrouw lijst ik in.

Basje Boer (Amsterdam, 1980) is schrijver en essayist. Van haar verschenen drie boeken, waarvan de roman Nulversie (Nijgh & Van Ditmar, 2019) de meest recente is. Daarnaast schrijft ze over film, literatuur en alle andere vormen van (pop)cultuur, onder meer voor De Groene Amsterdammer.


Auteursfoto: Anneke Hymmen



293 keer bekeken

Michaël Van Remoortere – for my Scissor Valley family


Beluister hier hoe Michaël zijn eigen Mammoetje voorleest:


Pourtant je vis depuis longtemps déjà avec l'impressions d'avoir trop vécu; j'imagine que c'est à cause de ça que le besoin d'écrire est si profond.

Édouard Louis – Changer: méthode


I.

Op zoek naar iemand die mij ervan zou kunnen overtuigen dat ik nog besta

Dag op dag een jaar geleden heb ik mij laten opnemen in een psychiatrische ontwenningskliniek. Over mijn verblijf aldaar, en over de onderliggende redenen van mijn problematiek, zoals men dat pleegt te noemen, schreef ik eerder al. Waar ik het hier over wil hebben, is het werk – en zoals altijd hebben de Duitsers daar een specifiek woord voor – dat pas na mijn ontslag aanving. Enkele weken terug heb ik immers de laatste therapiesessie van mijn opvolgingstraject afgerond. Met alle gevoel voor dramatische spanningsbogen en symbolische betekenissen die een schrijver, misschien ondanks zichzelf, niet kan nalaten in zijn eigen leven te ontbloten, lijkt het alsof er iets ten einde is gekomen. Wat dat iets is, daarover gaat dit essay.


Laat mij beginnen vast te stellen dat het goed met mij gaat. En nog belangrijker: ik wantrouw ook niet meer dat het goed met mij gaat. Ik weiger te denken in zinsneden als dat ik al het goede wat mij het afgelopen jaar overkomen is, verdiend zou hebben – dat zou lijken te impliceren dat alles wat ervoor kwam ook verdiend geweest zou zijn. Of ik zou vast komen te zitten in de filosofisch onhoudbare patstelling dat al het goede wat iemand overkomt verdiend, en al het slechte dan weer onverdiend zou zijn. Ik heb enorm veel geluk gehad, maar ik heb ook heel wat zaken weten af te dwingen door een combinatie van bluf en intuïtie, waarvoor ik zelf niet met de eer wil strijken. Geluk bestaat misschien altijd grotendeels uit bluf en intuïtie.


Mijn grootste geluk bestaat zonder meer uit de geografische plaats waar ik bijna dertig jaar geleden het leven ingeworpen werd. Ik kan het belang van de vanzelfsprekendheid van sociale zekerheid in mijn geboorteland niet overschatten. Een vanzelfsprekendheid die trouwens steeds meer onder druk komt te staan door de uit de hand gelopen vermarkting van wat wij toch halsstarrig het humanisme moeten blijven noemen. De boutade dat meten weten is, gaat voorbij aan het feit dat met dat meten niets begrepen wordt. Een cijferfetisjisme waarachter de politieke klasse haar incompetentie kan verhelen. De begroting moet kloppen en de burger betaalt hiervoor met zijn leven(skwaliteit). Als we, met Oscar Wilde, cynisme definiëren als de houding die van alles de prijs pretendeert te weten, maar van niets de waarde, dan leven wij in de meest cynische aller tijden. Niets is zo goedkoop en heeft tegelijk zo'n hoge kostprijs als cynisme.


Als (gesjeesd) student filosofie was ik hier altijd reeds van overtuigd. Maar ik begreep de consequenties er pas van toen ik afgelopen zomer twee maanden in Los Angeles verbleef. Wat ik daar op straat aan tentenkampen moest aanschouwen tartte al mijn verbeelding. City of Angels? City of Crackheads. Had mijn verhaal zich daar afgespeeld, dan was het waarschijnlijk eveneens geëindigd in de onverstaanbaar geschreeuwde gebeden die door de verlaten straten van Skid Row weergalmen. Ik zag een man die, uitzinnig van wat naar ik vermoed wanhoop was, probeerde zijn geliefde onder een bus te duwen, waarna zij, doodgemoedereerd, opstond en achter hem aan weer hun tent inkroop. Ze gebruikten een badhanddoek van Elsa uit Frozen als deurgordijn. Sindsdien is the American Dream voor mij het portret van een sneeuwwitte ijskoningin waarachter mensen liggen te creperen. Het is bang afwachten tot zij ook in de straten van het Oude Continent zal opduiken.


Want je kunt het niet alleen. Ik heb het in ieder geval niet alleen hoeven doen. De tijden waarin voor de zorgsector geapplaudisseerd werd liggen, nu van ons verwacht wordt zelf weer verantwoordelijkheden te nemen, ver achter ons; maar ik wens iedereen, zelfs degenen die hun eigen enge definitie van vrijheid boven het welzijn van anderen plaatsen, wanneer zij het nodig hebben, de hulp en zorg toe die ik heb mogen ontvangen. Hulp van medicinale, psychologische en religieuze aard. Want een van de onbezongen helden van mijn verhaal is de pastoraal medewerker die iedere week enkele uren in haar overbezette agenda wist vrij te maken om samen met mij de twijfels, waaraan ik ten gronde dacht te gaan, helderder verwoord te krijgen. Mijn verhaal is altijd ook een verhaal van het weer onder controle krijgen van de taal.


II.

My Scissor Valley family

Het gaat goed met mij en ik kan het zelfs beargumenteren. I’ve got the receipts. Ik heb het afgelopen jaar meer fantastische mensen mogen ontmoeten dan de sociaal onhandige en extreem verlegen introvert die ik ben ooit voor mogelijk had gehouden, onder wie – en ik wik hier mijn woorden, aangezien hij dit ook zal lezen (hoewel hij, nu nog, in dezelfde kamer waar ik dit neerschrijf, aan het slapen is) – de liefde van mijn leven. In het kielzog van dit wonder spoelde er een bont ratjetoe malloten aan in wier midden ik, nogal meewarig tegenover een begrip als familie staand, de kans heb gekregen mezelf te hullen in de gewaden van een frivool zusterschap dat ik voorheen niet kende. Ballonen als ersatzborsten incluis. De uitverkoren familie waarvan in de gelijkgeslachtelijke popcultuur zoveel sprake is.


Ook professioneel heb ik meer kansen gekregen om mijn talenten te ontwikkelen dan iemand had durven dromen die zich verre wil houden van de machtsspelletjes en het gekrakeel achter de schermen van de kunstwereld. Meer dan ooit zag ik mezelf door mijn omgeving bevestigd, zelfs in domeinen van de kunst waarin het nooit mijn ambitie was geweest werkzaam te zijn. Het ging zelfs zover dat ik in mijn laatste therapiesessie tot de vaststelling moest komen dat ik in het bezit leek van iets wat ik genoodzaakt zag te benoemen als eigenwaarde. In het vakjargon van de sociale media ben ik wat ze #blessed noemen.


Maar er is ook veel gebeurd wat zich niet leent tot sociale media snoeverij. Ik heb het afgelopen jaar enorm veel gerouwd. Om vriendschappen die niet bestand bleken tegen de onhandelbaardere kanten van mijn persoonlijkheid. Om het ideaal van een familie – een ideaal dat ik dus ironisch genoeg op een andere manier, in een andere, onverwachte omgeving in de praktijk zou brengen. Wat niet wegneemt dat ik de gangbaardere invulling ervan moest opgeven, en daarmee ook de verwachtingen die ik mij eigen gemaakt had en die ik, in de hoop op erkenning, vruchteloos probeerde na te streven.


Wat ik nu weet, met de helderheid van elke terugblik, is dat ik afscheid moest nemen van de ideeën in mijn hoofd over hoe de dingen zouden moeten zijn. De idealen die het mij onmogelijk maakten te zien hoe de dingen eigenlijk wáren. Wat ik afgelopen jaar ten grave heb gedragen is dat deel van mezelf dat zo naïef was te geloven dat het leven zich zou schikken naar de voorschriften die ik bij mijn geboorte meegekregen had, zonder in te zien dat deze voorschriften eigenlijk geen rekening hadden gehouden met de mogelijkheid van mij. Ik probeerde mezelf overeind te houden in de traditie van de bourgeoisie waarin ik ben grootgebracht, die zich nog altijd beroept op grondslagen die gebaseerd zijn op de schandelijke stigmatisering van alle verlangens die een lichaam als het mijne kent. Mijn bevrijding uit deze naïviteit bleek de voorwaarde voor het meest romantische jaar uit mijn leven. Mijn homoseksualiteit heeft mij gered. Ik krijg nu vaak te horen dat het zo goed met mij gaat omdat ik de liefde van mijn leven ben tegengekomen, maar de waarheid is dat ik hem alleen ben tegengekomen omdat het zo goed met mij gaat. (En door Tinder, uiteraard.)


De familie Wasbeer bij wie ik elk weekend doorbracht

Maar au fond wilde ik met deze tekst niet veropenbaren hoe goed het met mij gaat. Deze uiteenzetting was slechts nodig om de context te scheppen waarbinnen ik heb kunnen nadenken over dat wat verloren ging. Ik zal het dus verder niet hebben over diegenen die er wel waren; de familie Wasbeer bij wie ik elk weekend doorbracht, die vrienden die mij wekelijks belden en met wie ik aan de wandel ging, de pianist die zich, hoewel onze relatie mijn opname niet zou overleven, toch steeds over mij bleef ontfermen. Eens te meer zal het ongelijk van de afwezigen luider klinken dan het troostende koor van al diegenen die op het appel verschenen. Wat ik miste deed de aanwezigheid van de rest verbleken. Misschien is het waar dat le bonheur se raconte mal, maar hoe het ook zij, ik had mij voorgenomen het over rouw te hebben.


III.


Connie Palmen, Queen Connie voor vrienden (die wij (nog) niet zijn), schreef dat rouw verliefdheid zonder verlossing is. Liefdesverdriet is dan tevens een vorm van rouw. Je wordt overmand door gevoelens die verlangen naar een object dat er niet (meer) is en de leegte van dat object laat zich door die gevoelens niet vullen, maar wakkert hun honger des te meer aan. Het liefdesverdriet om iets wat nooit geweest is neemt een speciale, haast exemplarische positie in. Ik herinner mij hoe ik ooit, ondertussen alweer enkele jaren geleden, in een café zat te huilen om een liefde die nooit wederzijds was, waarvan dus gezegd had kunnen worden dat ze er eigenlijk nooit geweest was. Ik moest mijn verlies openbaar maken, mijn rouw theatraliseren, om zelf te kunnen geloven dat ik recht had op mijn gevoelens. Iets wat tegengesproken leek te worden door het feit dat het object gewoon nog ergens rondliep, wat de leegte die ik ervoer leek te ontkennen. De gegeneerde blikken van de andere cafégangers bleken noodzakelijk voor mij om bevestigd te zien dat hier wel degelijk iets verloren was gegaan. Ik denk dat dit schrijven ook een poging hiertoe is.


Ik heb mijn vriendschappen altijd als verliefdheden beleefd. Zeker in het begin voltrokken ze zich volgens een aan de verliefdheid gelijke paringsdans van aantrekken en plagerig afstoten, van ophemelen en teder in de maling nemen, van speels nieuwe rollen aannemen en je tegelijkertijd schuchter blootgeven. Het rouwen om deze liefdes heeft dan ook vrij obsessionele vormen aangenomen. Maandenlang was ik panisch mijn nog levende doden tegen te moeten komen. Bij elke uitnodiging vroeg ik wie er nog zou komen. Wanneer hun namen genoemd werden, zelfs wanneer deze namen niet naar hen verwezen, kromp ik ineen. Wanneer ik onverhoopt toch oog in oog met hen kwam te staan, was ik bang mezelf opnieuw te zullen verliezen. Ik durfde hen zelfs niet rechtstreeks aan te kijken. Ze waren de belichaming geworden van een periode die ik zo snel mogelijk hoopte te vergeten.


Zelfs toen een van hen zich uitdrukkelijk verontschuldigde, wist ik niet wat te doen. Ik heb hem bedankt en nog een mooie avond gewenst. (Eerder reeds: ‘Ik heb geen zin te onderhandelen over welke redenen acceptabel waren voor jouw totale afwezigheid.’) Dit ongemak wordt nu door sommigen geïnterpreteerd als kwaadheid, alsof ik wrok zou koesteren. Maar dat is het denk ik niet. Nu ik het niet meer ben, merk ik pas hoe kwaad ik geweest ben; die kwaadheid richtte zich echter niet tot specifieke personen, maar, geloof ik, tot een wereld die zo gemakkelijk bleef ronddraaien terwijl ik zelfs niet de energie had haar achterna te lopen, laat staan haar bij te benen. Ik ben kwaad geweest, maar die verontschuldigingen waren voor mij vooral een herinnering aan de kloof die ik ervaren had. De onverschilligheid van anderen had ik opgevat als een falen van mijn kant. Een falen dat ik had geprobeerd te verdoezelen.


IV.


Na mijn eerste week in de gesloten afdeling van de instelling werd ik verplaatst naar de open afdeling en, nog belangrijker, kreeg ik een lagere dosis medicijnen voorgeschreven zodat de nevel waarin die week haast volledig verdwenen is, plaatsmaakte voor de helderheid die het mij mogelijk zou maken stap voor stap mijn demonen in kaart te brengen. Ik begon met doen wat ik altijd doe. Het enige wat altijd, wanneer de rest onmogelijk lijkt, overblijft. Ik begon te schrijven. Een kleine maand later bevond ik mij in de licht absurde positie waarin ik op mijn ziekenhuiskamer, achter mijn computer, terwijl mijn medepatiënten in de tv-kamer de uitreiking meekeken, een prijs in ontvangst mocht nemen voor een essay over het verblijf in de instelling waaraan toen nog geen einde was gekomen.


Kamer 09

Opeens werd ik overspoeld door berichten. Hoewel ik al anderhalve maand opgesloten zat, bleek het winnen van een prijs het de buitenwereld opeens mogelijk te maken mij te contacteren. Een nogal pijnlijke aangelegenheid. Degenen van wie ik in al die tijd niets gehoord had, stuurden mij nu berichten over mijn moed en sterkte. Iemand hoopte zelfs dat ik tijdens mijn opname veel tijd zou vinden om te lezen en te schrijven. Ik las deze berichten tussen twee aanvallen van complete moedeloosheid en zelfverachting door. Op mijn rechteronderarm heb ik als aandenken nog steeds de littekens van de sigarettenpeuken die ik, wanneer ik de bodem bereikt dacht te hebben, mijn vlees liet schroeien om me eraan te herinneren dat ik nog wel degelijk bestond.


Onze samenleving weet zich geen blijf met lijden. Al zeker niet met het psychische. Tenzij het verpakt wordt in het soort verhaal dat we bij talentenjachten steeds voorgeschoteld krijgen: een verhaal van triomf over dit lijden. Ondanks alles, de veerkracht van de mens. De maatschappelijk obsessie met het paradigma van de hergeboorte waar Serge Daney in de jaren ’80 reeds op wees. Enkel wanneer het lijden getransformeerd wordt tot een overwinning, wanneer we er een prijs uit weten te puren, kan het erkend worden. Alleen winnaars mogen verliezers zijn. Pas toen de gelukswensen binnenstroomden, merkte ik dat ook ik in deze logica vastzat. De idee dat ik mijn lijden moest verzilveren, omdat het anders voor niets geweest zou zijn. De idee ook dat ik de best mogelijke patiënt moest zijn, om me maar te kunnen onderscheiden van mijn medepatiënten. ‘We lijden allemaal, ja, maar ik doe er nog iets mee.’


Ik denk dat ik mijzelf in zekere zin gevangen heb gezet met dat essay. Mijn lijden verkocht heb als een literaire triomf. Misschien was dit destijds nodig, heb ik mezelf als het ware ook vrij geschreven met deze tekst, maar het maakte het mij wel onmogelijk om nadien nog van die overwinning terug te komen, te vertellen wat er echt gebeurd was. Hoe vaak het mij aan de moed om door te gaan had ontbroken.


Mijn eerste ontmoeting met de liefde van mijn leven viel haast samen met de dag van mijn ontslag. Hij heeft mij leren kennen aan het einde van mijn klim uit het dal en nadien is alles zo snel gegaan –wat betreft het ontmoeten van nieuwe mensen en de professionele successen – dat ik vermoed dat ook hij niet helemaal doorheeft hoe erg ik eraan toe was voor onze meet-cute. Misschien is dat ook niet nodig, hij doet al zoveel voor mij door wie hij is, maar ergens wringt dit blijkbaar wel. Anders had ik waarschijnlijk niet de behoefte gevoeld deze tekst te schrijven.


Dit lijkt me dan ook de verklaring waarom ik niet wist hoe op die verontschuldigingen te reageren. Ik had willen vragen waarvoor deze persoon zich verontschuldigde, maar besefte meteen dat ik de moed niet zou vinden hem terecht te wijzen: dat hij geen idee had wat ik doorgemaakt had, en dat dit ook aan mij lag. Ik was niet kwaad, maar bang. Niet enkel bang om weer aan deze periode herinnerd te worden, niet enkel bang om tot deze periode teruggebracht te worden, maar bang om aan mezelf te moeten toegeven dat ik helemaal niets overwonnen had. Bang dat ik mezelf iets heb voorgelogen en elk moment weer terug in het diepe kan vallen; bang dat wanneer men dit te weten zou komen, men de verontschuldigingen snel weer zou inslikken om mij opnieuw over te leveren aan de onverschilligheid waaraan ik bijna ten onder was gegaan.


’s Nachts dwaal ik nog door de in tl-licht gehulde gangen

De eenzaamheid waarin ik die drie gehospitaliseerde maanden gewoond heb, wens ik niemand toe. Nog steeds draag ik haar (boven- en) onderhuidse restletsels. ’s Nachts dwaal ik nog door de in tl-licht gehulde gangen, op zoek naar iemand die mij ervan zou kunnen overtuigen dat ik nog besta. Wat mij nog het meeste kwelt is het wantrouwen jegens de buitenwereld waarmee ik werd opgezadeld. Mijn rouwen is een rouwen om de breuk met de vanzelfsprekendheid waarmee ik geliefden vroeger vertrouwde. In plaats daarvan is er de immer sluimerende beduchtheid op een terugval naar die zelfs van God verlaten eenzaamheid. Een afgrond heeft zich in mij geënt.


V.


Ik geloof niet in een schrijven dat therapeutisch werkt. Mocht het mogelijk zijn ‘alles even lekker van me af te schrijven’, dan zou ik niet zo obsessioneel altijd dezelfde thema’s aanvallen, dezelfde gebeurtenissen vanuit steeds weer andere gezichtspunten en met steeds weer nieuwe woorden benaderen. Wat schrijven daarentegen wel altijd voor mij doet, is dat het mij een gevoel van bekwaamheid verleent. Er is altijd íets wat ik kan. In die zin heeft schrijven mij altijd, hoe ternauwernood ook, gered. Wanneer ik erin slaag zelfs maar één zin geformuleerd te krijgen, voel ik me iets meer in controle over het leven. Dit duurt echter nooit lang, maar slechts zolang ik bezig ben. Zolang ik opga in de handeling van het schrijven, lukt het mij ondanks alles een eenheid in mezelf te vermoeden. Voor zover schrijven voor deze schrijver inderdaad met controle te maken heeft, is het een controle waarmee hij hoopt te leren deze, buiten het schrijven om, minder nodig te hebben. Controle als oefening in controleverlies.


Ik wil mezelf er dan ook voor behoeden van deze tekst weer een afgesloten geheel, een triomf, te maken. De ontdekking van hoe kwaad ik ben geweest, een ontdekking die ik tijdens dit schrijven deed, heeft de angel er een beetje uitgehaald, heeft het mogelijk gemaakt de volgende stappen in het rouwproces te doorstaan – want haar vijf bekende stappen zitten meer of minder subtiel doorheen deze tekst verweven. Maar dat betekent niet dat het rouwproces nu ten einde is. Beschouw deze tekst maar als tussentijdse flessenpost.


Wij zijn allemaal omringd door onze doden, levend dan wel anderszins. Wanneer ik een jaar na mijn opname tot de vaststelling kom dat het goed met mij gaat, betekent dit dat ik de ruimte heb kunnen vrijmaken om hen toe te laten in plaats van ze, ten allen koste en krampachtig, weg te willen wuiven. Voor zover dit proces eindigt met aanvaarding is dit voor mij de aanvaarding van het gemis. De pijn is niet geweken, maar ik ga haar zelf niet meer cultiveren. Wat verloren ging, zal aanwezig blijven, de doden zullen blijven spoken. Maar het huis van mijn schrijven is bij deze uitgebreid met een zolder, waar ik deze spoken nu onderdak kan bieden.


Je moet roken in een kooi

Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.


286 keer bekeken
1
2