Over ziek zijn

WhatsApp Image 2020-12-19 at 14.15.54.jp

vertaling: Monique ter Berg

met een Voorwoord van Prof. Deryn Rees-Jones
Hardback met stofomslag

110 blz

Open Archief #3
€ 20,99

ISBN 9789083018386

De uitgave Over ziek zijn bevat, gecombineerd met bijdragen van drie hedendaagse dichters, de eerste Nederlandse editie van Virginia Woolfs On being ill in een vertaling van Monique ter Berg. Woolf schreef Over ziek zijn terwijl ze weken aan een stuk aan bed gekluisterd was. Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld werden op jonge leeftijd getroffen door kanker. Deryn Rees-Jones raakte besmet met het Covid-19 virus. Zij schreef bij deze uitgave een inleidend voorwoord.

‘De hele dag en de hele nacht grijpt het lichaam in,’ merkte Virginia Woolf. Des te vreemder dat schrijvers zich voorhielden ‘dat het lichaam een glasplaat is waar de ziel helder en duidelijk doorheen schijnt.’

Net als Woolf constateert Marsman dat ziek zijn de kritische waarneming kan verscherpen: ‘Ziek zijn zet alles op z’n kop, en in de chaos die ontstaat, doemen abstracte beleidsbeslissingen op als in de praktijk gebrachte dictaten die bepalen of de afdeling waarop je ligt wel of niet onderbezet is.’

Van Zonneveld verwonderde zich over de ‘vlagen van vreugde’ tijdens haar ziekste momenten. Ze vond nieuwe religieuze verdieping. Tien jaar na dato merkt ze dat de normaliteit de twijfel soms weer uitnodigt. ‘Als de dood zich opnieuw aandient, hoop ik dat mijn sceptische alter-ego in een rivier van genade verzuipt,’ schrijft ze.

Woolf vraagt zich in haar essay af of het thema ‘ziekte’ in de literatuur niet net zoveel aandacht zou moeten krijgen als liefde, jaloezie en macht. Over ziek zijn geeft het die aandacht.

OA_Logo_1080x1080px_zwart.jpg

 

Fragment uit Over Ziek Zijn

Ziek zijn is niets bijzonders, maar als je de overweldigende mentale veranderingen ziet die ermee gepaard gaan, de verbazingwekkende onontdekte gebieden die zich openbaren wanneer de gezondheid bergaf gaat, de braaklanden en woestijnen van de ziel die een griepje aan het licht brengt, de afgronden en met bonte bloemen bezaaide grasvelden die bij een geringe stijging van de temperatuur worden onthuld, de zeer oude en onverzettelijke eiken die in ons worden ontworteld als we misselijk zijn, hoe we bij het laten trekken van een kies in de grafkuil afdalen en voelen dat het water van de ondergang zich boven ons sluit en we daarna herrijzen met de gedachte dat we ons in het gezelschap van engelen en harpisten bevinden, maar in de tandartsstoel bovenkomen en het ‘spoelt u maar – spoelt u maar’ van de tandarts verwarren met de begroeting van de Schepper die zich vanuit de hemel bukt om ons te verwelkomen – als we daaraan denken, omdat we daar zo vaak aan worden gedwongen te denken, is het inderdaad vreemd dat ziekte, naast liefde, strijd en jaloezie, niet een van de belangrijkste literaire thema’s is. Je zou verwachten dat er romans aan de griep waren gewijd; heldendichten aan tyfus; odes aan longontsteking; lyrische poëzie aan kiespijn. Maar nee; een van de weinigen die in Bekentenissen van een Engelse opiumeter iets dergelijks heeft geprobeerd is De Quincey; verspreid door het werk van Proust gaan er een paar boekdelen over ziekte – literatuur doet er alles aan om te beweren dat ze zich met de geest bezighoudt, dat het lichaam een glasplaat is waar de ziel helder en duidelijk doorheen schijnt en behoudens een drift als begeerte of gulzigheid, onbelangrijk en niet noemenswaardig is, niet bestaat. Integendeel, het is juist precies andersom. De hele dag en de hele nacht grijpt het lichaam in; stompt af of scherpt aan, kleurt of ontkleurt, wordt was in de warmte van juni, verhardt tot talg in het duister van februari. Het schepsel binnenin kan alleen maar door de vuile of rozige ruit kijken; het kan zich geen moment van het lichaam losmaken zoals de schede van een mes of de peul van een erwt; het moet de eindeloze stoet aan veranderingen ondergaan, hitte en kou, gemak en ongemak, honger en verzadiging, ziekte en gezondheid, tot zich het onvermijdelijke onheil aandient; het lichaam gooit zichzelf aan diggelen en de ziel (zo wordt beweerd) ontsnapt. Maar een verslag van dit alledaagse drama van het lichaam ontbreekt. Schrijvers hebben het altijd over het doen en laten van de geest; gedachten die opkomen; nobele plannen; hoe de geest de schepping heeft geciviliseerd.

Virginia Woolf