© Uitgeverij HetMoet 2019

Ik ben opgegroeid alleen met Maria liedjes, de vervoering van het orgel en het Latijn.

Maar ik liep rond in Groningen en Amsterdam tussen jongens en meiden die wel een verhaal wilde maar niet de Katholiek liturgie en de arrogantie van een kerkelijk systeem.

 

‘Maak iets dat we kunnen snappen’, zeiden ze. Nadat ik tien liedjes had gemaakt, dacht ik dat ik mijn bijdrage wel geleverd had. Toen de vraag naar zulke liederen bleef, constateerde ik dat het maken van liederen voor een Nieuwe Nederlandse liturgie misschien wel mijn levenswerk zou worden. Het voelde als een roeping.

 

Die roeping sloot aan op een toen al lang gekoesterde hoop; dat ik ooit als dichter weerklank zou vinden. Ik heb toen ik begon te schrijven als middelbare scholier Hendrik Marsman gelezen en bewonderd. Ik las bij hem, de voor ieder aankomend dichtertje waarschijnlijk toch wel huiveringwekkende regels:

Volk ik ga zinken als mijn lied niet klinkt, ik moet verdrogen als gij mij niet drinkt, verzwelg mij, smeek ik maar zij drinken niet, wees mijn klankbodem, maar zij klinken niet.

 

Mij is het overkomen dat zij wel klinken. Gezongen worden is een grote eer en geluksgevoel dat nooit went. Vijfentwintig jaar geleden leek het me dat het op was, of af, dat ik mijn aandeel aan het liedboek der eeuwen geleverd had en dat er uit mijn pen niet veel nieuws meer bij zou komen.

Deze zomer heb ik gewikt en gewogen, wat er nog gekomen is de laatste vijfentwintig jaar,  staat nu bij elkaar in het boek Stilte zingen – verzamelde liedteksten. Ik heb alles wat mij overkwam in mijn liedjes gestopt. Toen in 1971 Tjeerd werd geboren schreef ik ‘Kom in mij’ en ‘Wonen overal’.

Toen in 1973 Trijntje op aarde verscheen schreef ik ‘Delf mijn gezicht op’ en toen zij in de wieg lag, ‘Ken je mij’. Ik ben gezegend met goede componisten zodat grote en hachelijke gevoelens zichzelf konden blijven. Ik dank ook alle dirigenten en koren, alle toetsenisten blazers en strijkers.

 

Ik wist van niets toen ik begon, ik wist niet hoe het moest, wel dat het moest en dat het moest kunnen. En dat besef werd mij steeds opnieuw bijgebracht door mensen die mij zingen.

 

Zingen is een geestelijke oefening in hoop en liefde, in volharding en solidariteit.

 

 

Huub Oosterhuis