Het zweet stroomt

Bijgewerkt op: een dag geleden

Nadia de Vries


Beluister hier hoe Nadia haar eigen Mammoetje voorleest:


‘Ik kan je niet meer zien,’ zei hij.


Het was een onverwachte uitspraak. Ik had net een olijf in mijn mond gestopt, een bijzonder vlezige die me deed smakken, wat mijn positie op dat moment niet ten goede kwam.


Hij keek even weg voordat hij verder ging.


‘Ik wil de komende tijd op mezelf zijn. Het is nodig om op een paar belangrijke punten aan mezelf te werken. En het is niet goed voor me als ik nu met iemand samen ben. Ik ga een ingrijpende periode tegemoet. Ik heb stilte nodig, en rust, vooral.’


Een ingrijpende periode, dat klonk heftig. Ik vroeg me af of hij misschien ziek was. Ja, het kon niet anders, hij moest een ernstige ziekte hebben waaraan hij mogelijk zou sterven. Maar waarom zou hij alleen willen zijn als hij mogelijk zou sterven? Wie zou zijn hand vasthouden tijdens de behandeling? Wie zou hem het nierbekken van wegwerpkarton aanreiken wanneer hij kotsen moest? Precies – ik.


Drie weken geleden hadden we elkaar via een app ontmoet. Op mijn profiel had ik gezegd dat ik niet op zoek was naar iets serieus, hij had vermeld dat hij geen onenightstands wilde. In het grijze gebied troffen we elkaar. Eerlijk is eerlijk: in liefde op het eerste gezicht geloof ik niet, maar dit kwam er wel akelig dichtbij!


Sinds we elkaar hadden leren kennen hadden we maar liefst drie films gezien samen, waarvan twee in de bioscoop. Mijn beste vriendin had hij al ontmoet, per ongeluk, toen we chips haalden bij de avondwinkel voor de ene film die we bij mij thuis keken. Aan zíjn vrienden zou hij me nog voorstellen, zei hij. We hadden plannen om een keer een dagje naar het strand te gaan. Ik had mijn lenzenvloeistof al bij hem in de badkamer gezet.


En nu was er afstand.


‘Ben ik dan niet lief voor je geweest?’ vroeg ik hem. ‘Vind je me niet aantrekkelijk genoeg?’


‘Jawel. Maar daar gaat het nu niet om. Dit is gróter dan dat.’


Ik hoefde geen details te weten. Het was een verloren situatie, ik kon het zien aan zijn gezicht en horen aan zijn dictie. Ik moest een stap terug nemen. Afscheid nemen. Misschien wel voorgoed!


Het moest allemaal nog even bij me inzinken. Dat we nooit samen in een tent zouden liggen. Dat hij nooit een foto van me zou maken op een berg. Dat we nooit ziek zouden worden van dezelfde oester. Over een tijdje zou ik zelfs zijn stem vergeten.


Er moest gerouwd worden.


Over het algemeen ben ik een strategisch mens. Ik ben het type dat haar leven zorgvuldig uitkient. Als ik op vakantie ga, neem ik pleisters en een fluitje mee. Als ik een verlies te verduren krijg, geef ik mijzelf voldoende ruimte om dat te verwerken.


(Mijn hielen zullen niet bloeden, mijn lijk zal niet gevonden worden op een snelweg richting Côte d’Azur.)


‘Mag ik een trui van je hebben?’ vroeg ik.


In zijn ogen las ik scepsis. Zijn stem was een octaaf hoger toen hij antwoordde.


‘Een trui? Waar heb je die in godsnaam voor nodig?’


‘Om te rouwen. Zie je, dit is allemaal nogal onverwacht, en om de schok te boven te komen wil ik een object om me aan vast te houden. Zodat ik afscheid kan nemen van ons, van het idéé van ons, op een tempo dat voor mij goed voelt. Ja, ik zie je fronsen, maar het is geen onzin. Ik heb hier eens over gelezen in een blad dat in een wachtkamer lag. Het is een beproefde techniek. Ze noemen het continuing bonds.’


Continuing bonds.’


‘Ja. Dat is de theorie waarop ik een beroep doe. Voor het rouwen.’


‘Oké... Laat me er even over nadenken.’


Hij verdween naar het toilet. Hij bleef er lang. De eerste terrassen gingen al sluiten, ook al was de zon nog lang niet onder. Het waren de hondsdagen. Er hing zwoelheid en wanorde in de lucht. Voor mijn gemoedsrust maakte ik de olijven op.


Toen hij terugkwam had hij de bon bij zich. De rekening was betaald, zoveel wilde hij me duidelijk maken, dit was de pleister op de wonde die hij had aangericht.


‘Ik heb erover nagedacht. En het kan wel. Ik heb nog wel iets liggen, denk ik. Maar beloof me dat je er geen vieze dingen mee gaat doen. Niets op het internet, dat sowieso! En ook geen grimmige rituelen.’


‘Beloofd.’


‘En als je er een verhaal over schrijft, of het voor je boek gebruikt, dan publiceer ik onze chatgeschiedenis. Sorry, dat klonk gemener dan ik het bedoelde. Maar als ik hiermee instem moet ik wel een troef hebben.’


‘Afgesproken.’


We namen afscheid. Hij sprong op zijn huurfiets, ik in een taxi. De chauffeur stond erop om een gesprek met me te voeren. Ik deed alsof ik daarvan gediend was, ik glimlachte veel en vroeg hem naar zijn leven. Ik wilde geen slechte beoordeling op mijn passagiersprofiel. Ik zei het al, ik ben strategisch.


Vijf dagen later werd er een pakje bezorgd. Het paste niet door de brievenbus, het was maar goed dat ik thuis was. Het was een doos van een wijnwinkel die ik wel kende, een populaire natuurwijnzaak, waar hij schijnbaar zijn drank inkocht. Zijn eigen adres had hij doorgekrast, het mijne had hij met pijlen omcirkeld zodat de postbode niet in de war zou raken. Ontvanger, uitroepteken, uitroepteken.


In het pakje zat een kersttrui. Een hele lelijke kersttrui, groen en wit gestreept, met een afbeelding van een hulsttak erop genaaid. Ik rook eraan. Hij rook naar wol en verder niets. Misschien was de trui wel nooit gedragen. Dat had ik weer – afgescheept met een zoetmaker. Daar gingen mijn continuing bonds!


Dit kon zo niet.


Tot mijn opluchting had hij me nog niet geblokkeerd. Zijn profielfoto was nog steeds zichtbaar in het kleine rondje naast de naam die ik hem in mijn telefoon had gegeven. Volgens de statusupdate was hij twintig minuten geleden nog online geweest.


‘Ik moet één ding zeker weten,’ schreef ik hem. Ik zette een punt achter de zin, om te laten zien dat het me menens was. ‘Ben je ziek?’


Het duurde even voordat hij weer online kwam. Pas na een uur werden de vinkjes blauw. Hij had mijn bericht gelezen, dat was onmiskenbaar, maar hij reageerde er niet op. Ik moest volharden. Ik moest recht door zee zijn!


‘Hallo?’ probeerde ik opnieuw. ‘Ga je dood???’ Drie vraagtekens, om te benadrukken dat mijn zorgen oprecht waren.


Opnieuw werden de vinkjes blauw. Hij typte iets – een reactie:


‘Godverdomme.’


Daarna was zijn profielfoto niet zichtbaar meer.


Die kersttrui van hem, die had niet alleen een hulsttak. Er zaten ook nog kleine, nepzilveren belletjes aan, die rinkelden als je bewoog. Als je te hard bewoog deden ze niets. Ze prikten in mijn zij wanneer ik de trui naar bed droeg.


Het was nog steeds juli. De hondsdagen. Veel te heet om in bed een trui te dragen.


Toch deed ik het.

Nadia de Vries is schrijver en cultuurwetenschapper. Ze is de auteur van Kleinzeer (Uitgeverij Pluim, 2019) en twee Engelstalige dichtbundels. In 2020 promoveerde ze aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over de online afbeelding van het dode menselijk lichaam. Haar debuutroman De bakvis zal in 2022 bij Uitgeverij Pluim verschijnen.


Auteursfoto: Tom van Huisstede


639 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven