Trauerarbeit

Bijgewerkt op: 30 nov. 2021

Michaël Van Remoortere – for my Scissor Valley family


Beluister hier hoe Michaël zijn eigen Mammoetje voorleest:


Pourtant je vis depuis longtemps déjà avec l'impressions d'avoir trop vécu; j'imagine que c'est à cause de ça que le besoin d'écrire est si profond.

Édouard Louis – Changer: méthode


I.

Op zoek naar iemand die mij ervan zou kunnen overtuigen dat ik nog besta

Dag op dag een jaar geleden heb ik mij laten opnemen in een psychiatrische ontwenningskliniek. Over mijn verblijf aldaar, en over de onderliggende redenen van mijn problematiek, zoals men dat pleegt te noemen, schreef ik eerder al. Waar ik het hier over wil hebben, is het werk – en zoals altijd hebben de Duitsers daar een specifiek woord voor – dat pas na mijn ontslag aanving. Enkele weken terug heb ik immers de laatste therapiesessie van mijn opvolgingstraject afgerond. Met alle gevoel voor dramatische spanningsbogen en symbolische betekenissen die een schrijver, misschien ondanks zichzelf, niet kan nalaten in zijn eigen leven te ontbloten, lijkt het alsof er iets ten einde is gekomen. Wat dat iets is, daarover gaat dit essay.


Laat mij beginnen vast te stellen dat het goed met mij gaat. En nog belangrijker: ik wantrouw ook niet meer dat het goed met mij gaat. Ik weiger te denken in zinsneden als dat ik al het goede wat mij het afgelopen jaar overkomen is, verdiend zou hebben – dat zou lijken te impliceren dat alles wat ervoor kwam ook verdiend geweest zou zijn. Of ik zou vast komen te zitten in de filosofisch onhoudbare patstelling dat al het goede wat iemand overkomt verdiend, en al het slechte dan weer onverdiend zou zijn. Ik heb enorm veel geluk gehad, maar ik heb ook heel wat zaken weten af te dwingen door een combinatie van bluf en intuïtie, waarvoor ik zelf niet met de eer wil strijken. Geluk bestaat misschien altijd grotendeels uit bluf en intuïtie.


Mijn grootste geluk bestaat zonder meer uit de geografische plaats waar ik bijna dertig jaar geleden het leven ingeworpen werd. Ik kan het belang van de vanzelfsprekendheid van sociale zekerheid in mijn geboorteland niet overschatten. Een vanzelfsprekendheid die trouwens steeds meer onder druk komt te staan door de uit de hand gelopen vermarkting van wat wij toch halsstarrig het humanisme moeten blijven noemen. De boutade dat meten weten is, gaat voorbij aan het feit dat met dat meten niets begrepen wordt. Een cijferfetisjisme waarachter de politieke klasse haar incompetentie kan verhelen. De begroting moet kloppen en de burger betaalt hiervoor met zijn leven(skwaliteit). Als we, met Oscar Wilde, cynisme definiëren als de houding die van alles de prijs pretendeert te weten, maar van niets de waarde, dan leven wij in de meest cynische aller tijden. Niets is zo goedkoop en heeft tegelijk zo'n hoge kostprijs als cynisme.


Als (gesjeesd) student filosofie was ik hier altijd reeds van overtuigd. Maar ik begreep de consequenties er pas van toen ik afgelopen zomer twee maanden in Los Angeles verbleef. Wat ik daar op straat aan tentenkampen moest aanschouwen tartte al mijn verbeelding. City of Angels? City of Crackheads. Had mijn verhaal zich daar afgespeeld, dan was het waarschijnlijk eveneens geëindigd in de onverstaanbaar geschreeuwde gebeden die door de verlaten straten van Skid Row weergalmen. Ik zag een man die, uitzinnig van wat naar ik vermoed wanhoop was, probeerde zijn geliefde onder een bus te duwen, waarna zij, doodgemoedereerd, opstond en achter hem aan weer hun tent inkroop. Ze gebruikten een badhanddoek van Elsa uit Frozen als deurgordijn. Sindsdien is the American Dream voor mij het portret van een sneeuwwitte ijskoningin waarachter mensen liggen te creperen. Het is bang afwachten tot zij ook in de straten van het Oude Continent zal opduiken.


Want je kunt het niet alleen. Ik heb het in ieder geval niet alleen hoeven doen. De tijden waarin voor de zorgsector geapplaudisseerd werd liggen, nu van ons verwacht wordt zelf weer verantwoordelijkheden te nemen, ver achter ons; maar ik wens iedereen, zelfs degenen die hun eigen enge definitie van vrijheid boven het welzijn van anderen plaatsen, wanneer zij het nodig hebben, de hulp en zorg toe die ik heb mogen ontvangen. Hulp van medicinale, psychologische en religieuze aard. Want een van de onbezongen helden van mijn verhaal is de pastoraal medewerker die iedere week enkele uren in haar overbezette agenda wist vrij te maken om samen met mij de twijfels, waaraan ik ten gronde dacht te gaan, helderder verwoord te krijgen. Mijn verhaal is altijd ook een verhaal van het weer onder controle krijgen van de taal.


II.

My Scissor Valley family

Het gaat goed met mij en ik kan het zelfs beargumenteren. I’ve got the receipts. Ik heb het afgelopen jaar meer fantastische mensen mogen ontmoeten dan de sociaal onhandige en extreem verlegen introvert die ik ben ooit voor mogelijk had gehouden, onder wie – en ik wik hier mijn woorden, aangezien hij dit ook zal lezen (hoewel hij, nu nog, in dezelfde kamer waar ik dit neerschrijf, aan het slapen is) – de liefde van mijn leven. In het kielzog van dit wonder spoelde er een bont ratjetoe malloten aan in wier midden ik, nogal meewarig tegenover een begrip als familie staand, de kans heb gekregen mezelf te hullen in de gewaden van een frivool zusterschap dat ik voorheen niet kende. Ballonen als ersatzborsten incluis. De uitverkoren familie waarvan in de gelijkgeslachtelijke popcultuur zoveel sprake is.


Ook professioneel heb ik meer kansen gekregen om mijn talenten te ontwikkelen dan iemand had durven dromen die zich verre wil houden van de machtsspelletjes en het gekrakeel achter de schermen van de kunstwereld. Meer dan ooit zag ik mezelf door mijn omgeving bevestigd, zelfs in domeinen van de kunst waarin het nooit mijn ambitie was geweest werkzaam te zijn. Het ging zelfs zover dat ik in mijn laatste therapiesessie tot de vaststelling moest komen dat ik in het bezit leek van iets wat ik genoodzaakt zag te benoemen als eigenwaarde. In het vakjargon van de sociale media ben ik wat ze #blessed noemen.


Maar er is ook veel gebeurd wat zich niet leent tot sociale media snoeverij. Ik heb het afgelopen jaar enorm veel gerouwd. Om vriendschappen die niet bestand bleken tegen de onhandelbaardere kanten van mijn persoonlijkheid. Om het ideaal van een familie – een ideaal dat ik dus ironisch genoeg op een andere manier, in een andere, onverwachte omgeving in de praktijk zou brengen. Wat niet wegneemt dat ik de gangbaardere invulling ervan moest opgeven, en daarmee ook de verwachtingen die ik mij eigen gemaakt had en die ik, in de hoop op erkenning, vruchteloos probeerde na te streven.


Wat ik nu weet, met de helderheid van elke terugblik, is dat ik afscheid moest nemen van de ideeën in mijn hoofd over hoe de dingen zouden moeten zijn. De idealen die het mij onmogelijk maakten te zien hoe de dingen eigenlijk wáren. Wat ik afgelopen jaar ten grave heb gedragen is dat deel van mezelf dat zo naïef was te geloven dat het leven zich zou schikken naar de voorschriften die ik bij mijn geboorte meegekregen had, zonder in te zien dat deze voorschriften eigenlijk geen rekening hadden gehouden met de mogelijkheid van mij. Ik probeerde mezelf overeind te houden in de traditie van de bourgeoisie waarin ik ben grootgebracht, die zich nog altijd beroept op grondslagen die gebaseerd zijn op de schandelijke stigmatisering van alle verlangens die een lichaam als het mijne kent. Mijn bevrijding uit deze naïviteit bleek de voorwaarde voor het meest romantische jaar uit mijn leven. Mijn homoseksualiteit heeft mij gered. Ik krijg nu vaak te horen dat het zo goed met mij gaat omdat ik de liefde van mijn leven ben tegengekomen, maar de waarheid is dat ik hem alleen ben tegengekomen omdat het zo goed met mij gaat. (En door Tinder, uiteraard.)


De familie Wasbeer bij wie ik elk weekend doorbracht

Maar au fond wilde ik met deze tekst niet veropenbaren hoe goed het met mij gaat. Deze uiteenzetting was slechts nodig om de context te scheppen waarbinnen ik heb kunnen nadenken over dat wat verloren ging. Ik zal het dus verder niet hebben over diegenen die er wel waren; de familie Wasbeer bij wie ik elk weekend doorbracht, die vrienden die mij wekelijks belden en met wie ik aan de wandel ging, de pianist die zich, hoewel onze relatie mijn opname niet zou overleven, toch steeds over mij bleef ontfermen. Eens te meer zal het ongelijk van de afwezigen luider klinken dan het troostende koor van al diegenen die op het appel verschenen. Wat ik miste deed de aanwezigheid van de rest verbleken. Misschien is het waar dat le bonheur se raconte mal, maar hoe het ook zij, ik had mij voorgenomen het over rouw te hebben.


III.


Connie Palmen, Queen Connie voor vrienden (die wij (nog) niet zijn), schreef dat rouw verliefdheid zonder verlossing is. Liefdesverdriet is dan tevens een vorm van rouw. Je wordt overmand door gevoelens die verlangen naar een object dat er niet (meer) is en de leegte van dat object laat zich door die gevoelens niet vullen, maar wakkert hun honger des te meer aan. Het liefdesverdriet om iets wat nooit geweest is neemt een speciale, haast exemplarische positie in. Ik herinner mij hoe ik ooit, ondertussen alweer enkele jaren geleden, in een café zat te huilen om een liefde die nooit wederzijds was, waarvan dus gezegd had kunnen worden dat ze er eigenlijk nooit geweest was. Ik moest mijn verlies openbaar maken, mijn rouw theatraliseren, om zelf te kunnen geloven dat ik recht had op mijn gevoelens. Iets wat tegengesproken leek te worden door het feit dat het object gewoon nog ergens rondliep, wat de leegte die ik ervoer leek te ontkennen. De gegeneerde blikken van de andere cafégangers bleken noodzakelijk voor mij om bevestigd te zien dat hier wel degelijk iets verloren was gegaan. Ik denk dat dit schrijven ook een poging hiertoe is.


Ik heb mijn vriendschappen altijd als verliefdheden beleefd. Zeker in het begin voltrokken ze zich volgens een aan de verliefdheid gelijke paringsdans van aantrekken en plagerig afstoten, van ophemelen en teder in de maling nemen, van speels nieuwe rollen aannemen en je tegelijkertijd schuchter blootgeven. Het rouwen om deze liefdes heeft dan ook vrij obsessionele vormen aangenomen. Maandenlang was ik panisch mijn nog levende doden tegen te moeten komen. Bij elke uitnodiging vroeg ik wie er nog zou komen. Wanneer hun namen genoemd werden, zelfs wanneer deze namen niet naar hen verwezen, kromp ik ineen. Wanneer ik onverhoopt toch oog in oog met hen kwam te staan, was ik bang mezelf opnieuw te zullen verliezen. Ik durfde hen zelfs niet rechtstreeks aan te kijken. Ze waren de belichaming geworden van een periode die ik zo snel mogelijk hoopte te vergeten.


Zelfs toen een van hen zich uitdrukkelijk verontschuldigde, wist ik niet wat te doen. Ik heb hem bedankt en nog een mooie avond gewenst. (Eerder reeds: ‘Ik heb geen zin te onderhandelen over welke redenen acceptabel waren voor jouw totale afwezigheid.’) Dit ongemak wordt nu door sommigen geïnterpreteerd als kwaadheid, alsof ik wrok zou koesteren. Maar dat is het denk ik niet. Nu ik het niet meer ben, merk ik pas hoe kwaad ik geweest ben; die kwaadheid richtte zich echter niet tot specifieke personen, maar, geloof ik, tot een wereld die zo gemakkelijk bleef ronddraaien terwijl ik zelfs niet de energie had haar achterna te lopen, laat staan haar bij te benen. Ik ben kwaad geweest, maar die verontschuldigingen waren voor mij vooral een herinnering aan de kloof die ik ervaren had. De onverschilligheid van anderen had ik opgevat als een falen van mijn kant. Een falen dat ik had geprobeerd te verdoezelen.


IV.


Na mijn eerste week in de gesloten afdeling van de instelling werd ik verplaatst naar de open afdeling en, nog belangrijker, kreeg ik een lagere dosis medicijnen voorgeschreven zodat de nevel waarin die week haast volledig verdwenen is, plaatsmaakte voor de helderheid die het mij mogelijk zou maken stap voor stap mijn demonen in kaart te brengen. Ik begon met doen wat ik altijd doe. Het enige wat altijd, wanneer de rest onmogelijk lijkt, overblijft. Ik begon te schrijven. Een kleine maand later bevond ik mij in de licht absurde positie waarin ik op mijn ziekenhuiskamer, achter mijn computer, terwijl mijn medepatiënten in de tv-kamer de uitreiking meekeken, een prijs in ontvangst mocht nemen voor een essay over het verblijf in de instelling waaraan toen nog geen einde was gekomen.


Kamer 09

Opeens werd ik overspoeld door berichten. Hoewel ik al anderhalve maand opgesloten zat, bleek het winnen van een prijs het de buitenwereld opeens mogelijk te maken mij te contacteren. Een nogal pijnlijke aangelegenheid. Degenen van wie ik in al die tijd niets gehoord had, stuurden mij nu berichten over mijn moed en sterkte. Iemand hoopte zelfs dat ik tijdens mijn opname veel tijd zou vinden om te lezen en te schrijven. Ik las deze berichten tussen twee aanvallen van complete moedeloosheid en zelfverachting door. Op mijn rechteronderarm heb ik als aandenken nog steeds de littekens van de sigarettenpeuken die ik, wanneer ik de bodem bereikt dacht te hebben, mijn vlees liet schroeien om me eraan te herinneren dat ik nog wel degelijk bestond.


Onze samenleving weet zich geen blijf met lijden. Al zeker niet met het psychische. Tenzij het verpakt wordt in het soort verhaal dat we bij talentenjachten steeds voorgeschoteld krijgen: een verhaal van triomf over dit lijden. Ondanks alles, de veerkracht van de mens. De maatschappelijk obsessie met het paradigma van de hergeboorte waar Serge Daney in de jaren ’80 reeds op wees. Enkel wanneer het lijden getransformeerd wordt tot een overwinning, wanneer we er een prijs uit weten te puren, kan het erkend worden. Alleen winnaars mogen verliezers zijn. Pas toen de gelukswensen binnenstroomden, merkte ik dat ook ik in deze logica vastzat. De idee dat ik mijn lijden moest verzilveren, omdat het anders voor niets geweest zou zijn. De idee ook dat ik de best mogelijke patiënt moest zijn, om me maar te kunnen onderscheiden van mijn medepatiënten. ‘We lijden allemaal, ja, maar ik doe er nog iets mee.’


Ik denk dat ik mijzelf in zekere zin gevangen heb gezet met dat essay. Mijn lijden verkocht heb als een literaire triomf. Misschien was dit destijds nodig, heb ik mezelf als het ware ook vrij geschreven met deze tekst, maar het maakte het mij wel onmogelijk om nadien nog van die overwinning terug te komen, te vertellen wat er echt gebeurd was. Hoe vaak het mij aan de moed om door te gaan had ontbroken.


Mijn eerste ontmoeting met de liefde van mijn leven viel haast samen met de dag van mijn ontslag. Hij heeft mij leren kennen aan het einde van mijn klim uit het dal en nadien is alles zo snel gegaan –wat betreft het ontmoeten van nieuwe mensen en de professionele successen – dat ik vermoed dat ook hij niet helemaal doorheeft hoe erg ik eraan toe was voor onze meet-cute. Misschien is dat ook niet nodig, hij doet al zoveel voor mij door wie hij is, maar ergens wringt dit blijkbaar wel. Anders had ik waarschijnlijk niet de behoefte gevoeld deze tekst te schrijven.


Dit lijkt me dan ook de verklaring waarom ik niet wist hoe op die verontschuldigingen te reageren. Ik had willen vragen waarvoor deze persoon zich verontschuldigde, maar besefte meteen dat ik de moed niet zou vinden hem terecht te wijzen: dat hij geen idee had wat ik doorgemaakt had, en dat dit ook aan mij lag. Ik was niet kwaad, maar bang. Niet enkel bang om weer aan deze periode herinnerd te worden, niet enkel bang om tot deze periode teruggebracht te worden, maar bang om aan mezelf te moeten toegeven dat ik helemaal niets overwonnen had. Bang dat ik mezelf iets heb voorgelogen en elk moment weer terug in het diepe kan vallen; bang dat wanneer men dit te weten zou komen, men de verontschuldigingen snel weer zou inslikken om mij opnieuw over te leveren aan de onverschilligheid waaraan ik bijna ten onder was gegaan.


’s Nachts dwaal ik nog door de in tl-licht gehulde gangen

De eenzaamheid waarin ik die drie gehospitaliseerde maanden gewoond heb, wens ik niemand toe. Nog steeds draag ik haar (boven- en) onderhuidse restletsels. ’s Nachts dwaal ik nog door de in tl-licht gehulde gangen, op zoek naar iemand die mij ervan zou kunnen overtuigen dat ik nog besta. Wat mij nog het meeste kwelt is het wantrouwen jegens de buitenwereld waarmee ik werd opgezadeld. Mijn rouwen is een rouwen om de breuk met de vanzelfsprekendheid waarmee ik geliefden vroeger vertrouwde. In plaats daarvan is er de immer sluimerende beduchtheid op een terugval naar die zelfs van God verlaten eenzaamheid. Een afgrond heeft zich in mij geënt.


V.


Ik geloof niet in een schrijven dat therapeutisch werkt. Mocht het mogelijk zijn ‘alles even lekker van me af te schrijven’, dan zou ik niet zo obsessioneel altijd dezelfde thema’s aanvallen, dezelfde gebeurtenissen vanuit steeds weer andere gezichtspunten en met steeds weer nieuwe woorden benaderen. Wat schrijven daarentegen wel altijd voor mij doet, is dat het mij een gevoel van bekwaamheid verleent. Er is altijd íets wat ik kan. In die zin heeft schrijven mij altijd, hoe ternauwernood ook, gered. Wanneer ik erin slaag zelfs maar één zin geformuleerd te krijgen, voel ik me iets meer in controle over het leven. Dit duurt echter nooit lang, maar slechts zolang ik bezig ben. Zolang ik opga in de handeling van het schrijven, lukt het mij ondanks alles een eenheid in mezelf te vermoeden. Voor zover schrijven voor deze schrijver inderdaad met controle te maken heeft, is het een controle waarmee hij hoopt te leren deze, buiten het schrijven om, minder nodig te hebben. Controle als oefening in controleverlies.


Ik wil mezelf er dan ook voor behoeden van deze tekst weer een afgesloten geheel, een triomf, te maken. De ontdekking van hoe kwaad ik ben geweest, een ontdekking die ik tijdens dit schrijven deed, heeft de angel er een beetje uitgehaald, heeft het mogelijk gemaakt de volgende stappen in het rouwproces te doorstaan – want haar vijf bekende stappen zitten meer of minder subtiel doorheen deze tekst verweven. Maar dat betekent niet dat het rouwproces nu ten einde is. Beschouw deze tekst maar als tussentijdse flessenpost.


Wij zijn allemaal omringd door onze doden, levend dan wel anderszins. Wanneer ik een jaar na mijn opname tot de vaststelling kom dat het goed met mij gaat, betekent dit dat ik de ruimte heb kunnen vrijmaken om hen toe te laten in plaats van ze, ten allen koste en krampachtig, weg te willen wuiven. Voor zover dit proces eindigt met aanvaarding is dit voor mij de aanvaarding van het gemis. De pijn is niet geweken, maar ik ga haar zelf niet meer cultiveren. Wat verloren ging, zal aanwezig blijven, de doden zullen blijven spoken. Maar het huis van mijn schrijven is bij deze uitgebreid met een zolder, waar ik deze spoken nu onderdak kan bieden.


Je moet roken in een kooi
 

Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.


358 weergaven