Vormen van Vrede

ElteRauch_Vormen%2520van%2520vrede_COV4_

Hardback met stofomslag

100 blz.

Open Archief #1

€ 18,99

ISBN 9789083018355

In het kader van 75 jaar Bevrijding bundelde Elte Rauch korte verhalen over het overdraagbare oorlogstrauma van de Tweede Wereldoorlog. Drie generaties na de oorlog toont zij hoe het Indische en het joodse verleden aanwezig blijft, hoe de zoektocht naar identiteit voortduurt en hoe onderdrukking en ongelijkheid nog steeds oorlogsslachtoffers eisen.

Rauchs persoonlijke verhalen leggen het trauma bloot en roepen herkenning op. De bundel roept op tot zachtheid van oordeel, de tijd nemen om verbintenis te voelen en te blijven zoeken naar vormen van vrede.

Elte Rauch (1980) is schrijfster, filosofe en uitgeefster. Ze stelde eerder bloemlezing samen van verschilende Nederlandstalige en Engelstalige schrijvers en dichters. Ze studerde en woonde geruime tijd in Engeland, momenteel woont ze in Amsterdam.

Fragment uit Vormen van Vrede 

What's in a name

Mijn tantes en ooms hebben vreemde namen. Ze heten Babes, Dicky, Mimmi, Nonnie, Lody, Otti, Dori, Sanni. De ooms heten Lou, Davey, Boy en Frenkie. Sommigen van deze ooms en tantes zijn helemaal geen familie en toch noe- men wij ze tante Dol en oom Johnny. Wel moeten we altijd u tegen ze zeggen. Kennissen, vaak Indische Nederlanders, noemen we bij de familienaam. Zo werd de beste vriendin van mijn oma ook door haarzelf steevast ‘mevrouw Rees’ genoemd, en het echtpaar Wijcker bleef mijn hele leven lang mevrouw en meneer Wijcker.

De tantes waren veel groter, breder en luider dan mijn kleine stille omaatje. Het lukte ze zelfs de ooms, die soms luidruchtige discussies voerden, te overstemmen alleen al met hun kleding en rinkelende juwelen, dik gestifte lip- pen en gelakte nagels. Dit soort tantes kwam ik eigenlijk alleen in de boeken van Roald Dahl tegen. Ze knepen ons in de wangen en zeiden altijd: ‘Bolle toet!’ waarna je ze een kus moest geven op een stuk leerachtig huid met een al dan niet behaarde moedervlek. Ze kloven aan de kippen- pootjes en zogen het merg eruit. Ze aten kroepoek en ge- bakken rijst en maakten smakkende geluiden. Ik had geen idee waar ze het over hadden. Het ging deels in het Ma- leis, deels in het Nederlands, met om de haverklap woorden als ‘adoeh’ en ‘kassian’, de zin vaak afgesloten met woorden als ‘ja’ en ‘toch’ en bijbehorende, altijd beetje verbaasde of verongelijkte gezichtsuitdrukkingen. Het was en bleef me een raadsel, deze ‘tantes’. In het echt heetten ze allemaal anders. Want op brieven stonden andere voorletters, zo- als G.W.H. d’Archambeau. Ik geloof dat ik er wel tien keer naar moest vragen, en dan nog onthield ik het niet, als het me al verteld werd. D’Archambeau was de meisjesnaam van oma en haar zusters. Het klonk chic, niet Engels, niet Indisch, niet Neder- lands, maar Frans. Dat kwam mijn tantes goed uit, want ze schaamden zich voor hun gemengd bloed en klaagden over alles wat Indisch was. Nee, zij waren van Franse adel of Italiaanse oeroude families, nimmer te achterhalen.

 

Maar nooit noemden ze elkaar bij hun echte namen. Het was altijd óf een variatie daarop, óf een afkorting. Waar- om die namen zo verbasterd moesten worden, bleek deel uit te maken van het algehele mysterie ‘waarvandaan en waar- heen’. Een groots en onoplosbaar raadsel. ‘Ja, opa is in Ban- doeng geboren, ik in Soerabaja en je oom is nog in Batavia geboren.’ Ik kon Batavia niet vinden in mijn schoolatlas.

Oma had een mok waarop ‘Batavia’ stond. Ik had er een van de Efteling. Waar kwam mijn naam eigenlijk vandaan?

 © Uitgeverij HetMoet 2019-2021